Contact Actueel Bibliografie Afbeeldingen Biografie Begingpagina

Dick van Arkel heeft zich sinds het midden van de jaren tachtig bezig gehouden met de ruimte in de schilderkunst.
Hij formuleerde het eens zo:
"Sculptuur werkt met de gewone dimensies van de werkelijkheid; hoogte, breedte en diepte. Schilderkunst is plat, heeft in principe twee dimensies. Een schilderij roept altijd een andere wereld op. Wij hebben dankzij de geschiedenis van de schilderkunst geen moeite om de illusie van ruimte in een schilderij te begrijpen. Toch blijft het plat. Dat geeft een schilderij een eigenaardige spanning. Het is plat, maar we zijn geneigd er ruimte in te zien."

 

In het midden van de jaren tachtig verwijderde van Arkel de omgeving van de menselijke figuren die hij toen schilderde en toonde ze als losse elementen op de wand. Daarmee werd de wand de ruimtelijke context van zijn figuren.

In de jaren negentig werden de ruimtelijke bakens van het landschap op de vlakke wand hoofdzakelijk gevormd door bomen.
Nu paste hij veelvuldig combinaties van fotografie en schilderkunst toe.
"Een foto is een uitsnede uit de werkelijkheid; altijd maar een miniem deeltje van de hele wereld. Dat deeltje gebruik ik als verkleining in een nieuwe architecturale werkelijkheid."
Landschappen met wateroppervlak leveren spiegelbeelden op. Het spiegelbeeld beschouwt van Arkel als een metafoor van de schilderkunst:
"Het is plat, maar we lezen er diepte in."

Eind jaren negentig deden weer menselijke figuren hun intrede, waarbij hun onderlinge verhouding of hun verhouding tot architecturale of landschappelijke elementen, de maten en afstanden van de suggestieve ruimte articuleren.
Dit zijn vaak foto's van menselijke figuren (nogal eens zelfportretten) die veelal op ware grootte zijn getoond. Ze staan vaak op de vloer van de tentoonstellingswand. Hiermee treden ze dichter naar de beschouwer toe. Ze zijn in zijn wereld beland. Ook hun frontale blik zoekt de confrontatie.
Het gaat van Arkel nu, naast de formele ruimte ook om het intermenselijk element en daarmee zijn 'figuurlijke verhoudingen' belangrijker geworden.
In de werken met meerdere menselijke figuren gaat het steeds om de relatie tussen de mens en zichzelf. Op zijn eigen wereld, dan wel op de buitenwereld gericht. De ruimtes waarin de figuren verkeren zijn, net als in de vroege werken en in de landschappen, kaal en leeg. We zien geen voorwerpen. Het gaat van Arkel altijd minder om hebben dan om zijn.

Na de serie met de menselijke figuren keert van Arkel weer terug naar het landschap.
“Hoe ga ik om met de schilderkunstige suggestie van ruimte op de vlakke wand?” blijft de kwestie in zowel de serie ‘paletten’ in landschappen als in de opener serie van latere breugheliaanse figuren en ensembles.